Gerst is een van de oudste cultuurgewassen. Zowel uit de vroege Mesopotaamse culturen als uit de tijd van de Egyptische farao’s zijn vondsten bekend. In Europa was gerst de eerst gekweekte graansoort. Archeologische vondsten bij de resten van Zwitserse paalwoningen tonen aan dat de cultuur van gerst van 2000-3000 v. Chr. stamt.

Er zijn bijna geen granen die zo weinig eisen stellen als gerst. Het kan verbouwd worden in streken waar de teelt van andere granen onmogelijk is. Tot in de droge, hete steppen van Voor-Azië treft men nog gerstvelden aan, waar dit gewas zelfs op zouthoudende grond groeit.

De korte ontwikkelingsperiode van gerst is een groot voordeel: in het gunstigste geval heeft gerst van uitzaai tot oogst maar 70 dagen nodig.

Oorspronkelijk diende gerst als voedsel voor de mens. De gerstekorrels werden tot brij gekookt, of er werden koeken en platte broden van bereid. Later werd gerst als voedselgewas bijna overal overvleugeld door tarwe. Gerst wordt echter nog altijd op grote schaal verbouwd als veevoedergewas en in de vorm van speciale brouwgerstsoorten voor bier.