Granen zijn de zaden van grasachtige planten. Granen zijn als voedselgewas voor mens en dier enorm belangrijk. We maken er meel van in allerlei soorten, maar ook bier, havermout, koekjes en zelfs whisky, jenever en rum. De mens is voor bijna 95% van al zijn voedsel afhankelijk van grasachtige planten, al dan niet eerst door dieren gegeten. Wereldwijd is brood het meest gegeten voedsel.

Door veredeling zijn de grasachtige granen in de loop van meer dan 7000 jaar geselecteerd op allerlei voor de mens nuttige eigenschappen, zoals opbrengst, variatie en de handigste manier van oogsten. Dat alles in relatie tot de omgeving. Op zandgrond zijn andere gewassen geschikter dan op klei of veen. Zo zijn honderden selecties granen ontstaan, in tarwe, rogge, gerst, haver, mais, rijst, spelt en gierst.


Grassen en granen zijn moeilijk te determineren. Om dat goed te kunnen doen moet gekeken worden naar de ‘oortjes, tongetjes en knopen’. Daarnaast is aan onderdelen van de aar te zien om welke soort het gaat (zie afbeelding).

In alle soorten graan is de opbouw van een graankorrel is bijna identiek en bestaat uit drie onderdelen: het meellichaam of kiemwit, de wandlagen of zemelen, en de kiem. Tussen de wandlagen en het meellichaam bevindt zich de zogenaamde aleuronlaag.