Grondbewerking:

Het heidelandschap van West Europa is 5000 jaar geleden ontstaan. Mensen hadden geleerd dat het mogelijk was wilde dieren als vee te houden, die konden zorgen voor vlees en huiden. Rondtrekken met dat vee was echter lastig, zodat er behoefte was aan gebieden waar de koeien en schapen konden grazen.. Enorme bossen werden platgebrand en een dichte heide verrees uit de as. Dat bleken goede graasgronden die het hele jaar beschikbaar waren. In het gematigde klimaat van West Europa was struikhei het hele jaar groen en behield zijn voedingskwaliteit.

De nieuwe vlakten moesten ook onderhouden worden, anders zou het bos ze in korte tijd opnieuw innemen. Met behulp van gecontroleerde branden bleef struikhei, generatie na generatie, het landschap overheersen. Deze techniek wordt onder andere in Australië nog steeds toegepast door de Aborigines.

Het heidelandschap was dus afhankelijk van de boer en zijn vee. De West Europese heidegebieden kenden hun grootste uitbreiding gedurende eind 18e, begin 19e eeuw. Het kostte duizenden jaren om dit cultuurlandschap te ontwikkelen, maar slechts enkele generaties om het te verliezen. Sinds het midden van de 19e eeuw is de oppervlakte heide in Europa met meer dan 80% afgenomen. De groei van de bevolking en de drang om meer te produceren, betekenden dat de landbouwmethodes niet langer uitgingen van de natuurlijke omstandigheden. De overheid stimuleerde daarnaast met steun de ontginning van heide tot akkers, hooilanden of houtaanplantingen. Ook de opkomende industrie speelde daarin een rol. Op sommige plaatsen verdween struikheide door de uitstoot van zwavel en stikstof.

Minder dan 20% heidelandschap is blijven bestaan. Wat rest is gefragmenteerd en ligt als kleine vlakken in landbouwgebied, bos, industriezones of woongebieden. Planten en dieren die aan dit landschap waren aangepast verloren hun habitat  en de boeren die de oude methodes nog kenden, zijn bijna allemaal gestorven.

In de weinig productieve bodem van de hei ontbrak het aan essentiële plantenvoedingsstoffen, alleen struikhei bleef er goed op groeien. De uitwerpselen van het vee, organisch materiaal, is echter voedsel voor de bodem.
De afgelegen heidegebieden werden overdag begraasd door schapen die ‘s nachts in de stal bleven, waarvan de bodem jaarlijks met verse heiplagen bedekt werd, zogenaamde potstallen. De stalmest werd ieder jaar naar de akkers gebracht, die daardoor geleidelijk werden opgehoogde vruchtbaar werden. Dat leidde tot het ontstaan van landbouw. Deze vorm van landbouw met de karakteristieke esdorpen en hertgangen bleef tot het einde van de 19e eeuw bestaan. In 1898 was nog ruim twintig procent van de oppervlakte van Nederland ‘woeste grond’ en die bestond hoofdzakelijk uit heiden.
De uitvinding van de kunstmest verminderde de behoefte aan schapenmest, zodat de schaapskuddes ophielden te bestaan. Dat maakte het mogelijk de heiden tot landbouwgrond te ontginnen. Daarnaast werden veel heiden in bos omgezet. Speciaal met dit doel werd in 1899 Staatsbosbeheer opgericht. In die tijd was Nederland ernstig ontbost en was er grote vraag naar hout. In de eerste dertig jaar van zijn bestaan bracht Staatsbosbeheer het bos in Nederland weer op peil en legde veel productiebossen aan. In 1905 werd door Jac. P Thijsse de Vereniging Natuurmonumenten opgericht, als protest tegen de voorgenomen demping van het Naardermeer met huishoudafval uit Amsterdam. Ongeveer tegelijkertijd ontstond bij de eerste natuurbeschermers de belangstelling voor de heide. Uiteindelijk zag Staatsbosbeheer af van de bebossing van waardevolle heidegebieden en kocht Natuurmonumenten grote heiden, waaronder de Kampina en de Brunssummerheide. Aan het eind van de 20e eeuw bestond nog minder dan één procent van Nederland uit hei. Behalve de militaire oefenterreinen zijn vrijwel alle overgebleven heiden thans eigendom van Staatsbosbeheer, de Vereniging Natuurmonumenten of de Provinciale Landschappen.

 

Fauna:

Op de heide komen alle soorten dieren voor, maar heide is vooral belangrijk voor reptielen zoals de zandhagedis, de levendbarende hagedis, de hazelworm, de gladde slang, de ringslang en de adder. Adder en levendbarende hagedis hebben een voorkeur voor vochtige heide. De zandhagedis en de gladde slang komen bijna uitsluitend op heideterreinen voor. Afhankelijk van de droogte van de heide komen er ook veel amfibieën voor, zoals heikikker, bruine kikker en rugstreeppad.
Op de heide komen veel kenmerkende insectensoorten voor, zoals de hoornaarroofvlieg, de bijenwolf, sluipwespen, de mierenleeuw, zandbijen, mestkevers en allerlei specifieke sprinkhanen en vlinders.
Voor de dieren is de structuur van de heide belangrijk. Het karakter van de heide moet open blijven. Plekken met open zand, pijpestrootje en wat verspreide bomen en struiken bieden de dieren een grotere keuze aan micromilieus om te zonnen of te schuilen, dan grote uniforme stukken heide. Als er dode bomen op de heide blijven liggen schept dat ook geschikte milieus voor allerlei bijzondere dieren. Het zonnige en warme microklimaat van de heide is essentieel voor de aanwezige reptielen en insecten.
Zoogdieren van de heide zijn de haas, konijn, vos en verschillende soorten muizen. Ook ree en andere hertachtigen komen vaak uit naburige bosgebieden om er te grazen.
Wat vogels betreft moeten we denken aan de roodborsttapuit, de boompieper, de weer toenemende nachtzwaluw, en de veldleeuwerik. De klapekster is een klauwiersoort die flink in aantal achteruitgegaan is door afname van het heideareaal en de achteruitgang van de rest van het agrarische open landschap. Het korhoen is in Nederland inmiddels uitgestorven, ondanks verwoede pogingen deze dieren vanuit Zweden te herintroduceren.