Haver werd in Europa al verbouwd in de late IJzertijd, 2500 jaar geleden. Haver komt oorspronkelijk uit Zuidoost-Europa en Zuidwest-Azië en is ontstaan uit de wilde haver (Avena fatua). Er zijn vondsten bekend van haver bij paalwoningen rond het Bodenmeer in Zwitserland. In die tijd waren de korrels maar 6 mm lang, tegenwoordig zijn ze bijna 2 cm.

De Romeinen hebben haver overgenomen als cultuurgewas, waar het lang een geliefd voedingsmiddel was.

Tot in de late Middeleeuwen was haver op de zandgronden in Nederland ook een belangrijk gewas. Haver werd toen geteeld voor zowel menselijke consumptie (haverkoeken, haverbrij en haversoep) als voor veevoer. Ook was haver het belangrijkste graan voor de bierbrouwerij. Pas later is de haver in de bierbrouwerij verdrongen door gerst.

Ook voor de menselijke voeding speelt haver tegenwoordig een beperkte rol, maar het is indirect nog belangrijk als veevoedergewas. Haver wordt gebruikt voor de productie van havermout, havervlokken en haverzemelen, en als paardenvoer.

Haverproducten passen in een glutenvrij dieet.