Rogge is het belangrijkste broodgraan van Noord-Europa. Het is winterhard en stelt weinig eisen aan de grond. In de eerste eeuwen na Christus was rogge bij de Kelten, Germanen en Slaven het voornaamste broodgraan. Rogge heeft een wat bittere smaak en werd daarom bij het maken van brood vaak vermengd met spelt. Rogge wordt vooral geteeld om er roggebrood van te maken. In Ierland en de Verenigde Staten wordt o.a. rogge ook gebruikt voor de productie van whisky.

Oorspronkelijk is rogge als onkruid Europa binnen gekomen. Wilde rogge komt nu ook nog algemeen voor in de graanvelden in Turkije en Iran. Rogge is waarschijnlijk in cultuur gekomen doordat stevige roggekorrels per ongeluk tussen het geoogste tarwezaad raakten.

In ons klimaat handhaaft rogge zich beter dan tarwe. Bij experimenten in Midden Europa, bleek dat, als de mens niet ingreep, de rogge de tarwe al na 3 jaar geheel zou kunnen verdringen. Dit heeft onder meer te maken met de winterhardheid. Bij strenge vorst bevriest tarwe, terwijl rogge er goed tegen kan, zodra er voldoende groeischeuten zijn gevormd (= uitgestoeld is). Vroeger maakte men vooral in Oost Europa van deze eigenschap van rogge gebruik. Men mengde dan rogge door het tarwezaad, zodat, als de tarwe bevroor, men ten minste nog een kleine roggeoogst had. Het nadeel van rogge ten opzichte van tarwe is dat het kwetsbaarder is door de lange halmen, waardoor het eerder platslaat en minder opbrengst geeft.