Tarwe is één van de oudste cultuurgewassen. Er bestaan ongeveer 10.000 verschillende tarwegewassen en –selecties.

Op ca. 1% van het aardoppervlak wordt tarwe geteeld. Men weet niet precies wanneer de voorlopers van de huidige tarwe in cultuur zijn gekomen. Maar waarschijnlijk ongeveer 20.000 v. Chr. In elk geval vertonen ook de oudste vondsten al duidelijk de kenmerken van een cultuurgewas, zoals bijv. de beroemde Egyptische ‘mummietarwe’ uit de Nijldelta. Deze zou ca. 6.000 jaar oud zijn en toen al duizenden jaren van veredeling en selectie achter de rug hebben.

Ons belangrijkste broodgraan is tarwe. Door tarwe op verschillende manieren te malen ontstaan er verschillende soorten meel. Het grootste deel van de korrel bestaat uit kiemwit. Dat bevat klevende eiwitten (gluten), die ervoor zorgen dat het meel gaat kleven. Als alleen het kiemwit wordt gemalen ontstaat witmeel (gebuild meel), waar witbrood van wordt gemaakt. Als ook de aleuronlaag, de wandlagen en de kiem worden meegemalen wordt bruinmeel (ongebuild meel) verkregen. Dat levert bruin brood op. Omdat in de zaadwand veel B-vitaminen en mineralen zitten is dit brood gezonder dan wit brood. Ook bevat bruin brood veel meer vezelstoffen en onverteerbare koolhydraten (zemelen), wat de darmwerking versterkt.